Wie meerdere AI-agents aan het werk zet, loopt al snel tegen een coördinatievraag aan: wie bepaalt wie wat doet? De reflex is een centrale orkestrator te bouwen — één dirigent die taken verdeelt en resultaten samenvoegt. Dat is voor veel processen een prima keuze, maar het is niet de enige.
Er bestaat een alternatief dat uit de biologie bekend is: stigmergie. Agents coördineren dan niet primair via directe opdrachten, maar via sporen die ze achterlaten in een gedeelde omgeving. Dit artikel legt uit wat stigmergie is, wanneer het kansrijk is voor multi-agent systemen, en waarom het alleen werkt in combinatie met governance — want zelforganisatie zonder kaders is voor serieuze organisaties geen optie.
Wat is stigmergie?
Stigmergie is coördinatie via sporen in een gedeelde omgeving. Een agent voert een handeling uit en laat daarbij een spoor achter — een markering, een tussenresultaat, een signaal. Andere agents nemen dat spoor waar en passen hun gedrag erop aan.
Belangrijk om scherp te houden: stigmergie is indirecte coördinatie. Het sluit directe communicatie tussen agents niet uit — beide kunnen naast elkaar bestaan. Het onderscheidende is dat de omgeving zelf een communicatiekanaal wordt.
Het klassieke voorbeeld komt uit de biologie: mieren die feromoonsporen leggen, die andere mieren volgen en versterken. Niemand geeft leiding, en toch ontstaat coördinatie via de sporen zelf.
Vroege observaties bij AI-agents
Dat dit mechanisme ook bij AI-agents kan optreden, is inmiddels beschreven — al gaat het om verkennende observaties, geen gevestigd onderzoeksveld. In een bericht op LessWrong beschrijft een auteur met achtergrond in collectief diergedrag hoe agents die een gedeelde webomgeving doorzochten, die omgeving wijzigden door hun zoekgedrag — en hoe latere agents die wijzigingen detecteerden en zich aanpasten.
Interessant in diezelfde observatie: de sporen leken geen ruis. Agents die aan vergelijkbare vraagstukken werkten, genereerden vergelijkbare zoekpaden, waardoor sporen zich clusterden rond dezelfde punten. De structuur van het probleem stuurde de agents naar dezelfde plekken.
Ook in het TerraLingua-simulatieproject, gepresenteerd als onderzoeksdemonstratie, komt iets vergelijkbaars terug: een agent verkende een omgeving en creëerde artefacten als navigatiepunten. Toen die agent wegviel, gebruikten andere agents diezelfde artefacten om betere routes te vinden. Let wel: dit zijn demonstraties in gecontroleerde settings, geen bewijs dat dit in elke productieomgeving zo werkt.
Centrale orkestratie versus stigmergie
Beide modellen hebben bestaansrecht. De vraag is welk model past bij welk probleem — en welke voorwaarden u moet inrichten om de beloofde voordelen ook echt te krijgen.
Waar centrale orkestratie past
Een centrale orkestrator is een logische keuze bij workflows waarvan de route vooraf bekend is: taak A, dan B, dan C, met duidelijke overdrachtspunten. De dirigent kent het script.
De aandachtspunten liggen bij groei en onzekerheid: het centrale punt moet routering en uitzonderingen blijven bijhouden, en beschikbaarheid vereist expliciete redundantie. Dat is oplosbaar, maar het vraagt ontwerp- en beheerinspanning die met de complexiteit meegroeit.
Waar stigmergie kansrijk is
Stigmergie is interessant waar het probleem open is: verkenning, onderzoek, situaties waarin je vooraf niet weet welke route naar het antwoord leidt. Agents kunnen parallel werken en voortbouwen op elkaars sporen — mits er selectie-, validatie- en stopcriteria zijn die bepalen wat “goed genoeg” is.
Drie potentiële voordelen, elk met een voorwaarde:
- Robuustheid — sporen kunnen het werk van een uitgevallen agent overleven, zoals de TerraLingua-demonstratie liet zien. Maar alleen bij duurzame opslag en goed ingerichte beschikbaarheid.
- Schaalbaarheid — een extra agent leest dezelfde sporen als de rest, maar vereist wel afspraken over schema’s, autorisatie en conflictafhandeling. En de gedeelde opslag kan zelf een bottleneck worden als die niet is ontworpen op de belasting.
- Asynchroniciteit — een spoor van gisteren kan het werk van vandaag informeren, mits sporen persistent, toegankelijk én nog geldig zijn. Verouderde sporen zijn een risico, geen voordeel.
Kortom: stigmergie levert deze eigenschappen niet automatisch. Ze moeten worden ontworpen.
Hoe wij het ontwerpen: weefsel, rollen, verval
Een bruikbaar ontwerpmodel voor stigmergische systemen kent drie bouwstenen: een gedeelde omgeving, sporen met betekenis, en agents die sporen lezen én schrijven. Zo is Aigent37 opgezet.
De gedeelde omgeving: het kennisweefsel
In het Aigent37-ontwerp is de gedeelde omgeving een kennisweefsel: een gestructureerde laag waarin agents bevindingen, tussenresultaten en signalen vastleggen. Het ontwerpprincipe: geen losse chatgeschiedenis, maar een blijvende, gedeelde werkelijkheid waarop volgende runs kunnen voortbouwen.
Gespecialiseerde rollen in plaats van één alleskunner
Dit sluit aan bij hoe multi-agent systemen breder worden beschreven — onder meer door SAP: in plaats van één doe-het-alles agent werkt een netwerk van agents met gespecialiseerde rollen samen aan complexe problemen. In ons ontwerp:
- Verkenner — zoekt informatie en legt sporen aan: “hier is iets gevonden, hier niet.”
- Analist — leest de sporen van verkenners, weegt en duidt, en verrijkt het weefsel met conclusies.
- Constructor — bouwt op basis van geanalyseerde sporen concrete output: een rapport, een beslisdocument, een dataset.
- Validator — toetst wat er ligt, markeert zwakke plekken en waardeert sporen op kwaliteit.
- Steward — bewaakt het weefsel zelf: opruimen van verouderde sporen, bewaken van consistentie en governance-regels.
In dit ontwerp geven agents elkaar geen directe opdrachten; elk reageert op de staat van het weefsel. De verkenner hoeft niet te weten dat er een analist bestaat.
Versterking en verval zijn ontwerpkeuzes
Cruciaal: versterking en verval gebeuren in software niet vanzelf. Er moeten expliciete regels zijn die bepalen wanneer een spoor aan gewicht wint, wanneer het vervaagt en wanneer het wordt opgeruimd.
Zonder die regels dreigt het omgekeerde: populaire maar foutieve sporen die worden versterkt, en een weefsel dat dichtslibt met verouderde informatie. Verval is een governance-instrument, geen natuurwet.
Zelforganisatie zonder governance is een risico
Hier past een eerlijke waarschuwing. Als agents elkaar via sporen beïnvloeden, moet u er in het ontwerp rekening mee houden dat ook fouten zich via sporen kunnen verspreiden en versterken. Dat risico is de kern van waarom stigmergie zonder governance geen serieuze optie is.
Drie mechanismen maken het verschil:
Herleidbaarheid van elk spoor
Ons ontwerpprincipe: elk spoor krijgt herkomst-metadata — welke agent, wanneer, op basis waarvan. Het doel is dat een conclusie in het eindresultaat terug te volgen is naar de bron. Vraag bij elke implementatie expliciet na wát er wordt gelogd (bron, modelversie, inputs, transformaties) en waar de herleidbaarheid ophoudt.
Validatie als vaste rol
De validator is geen optionele extra maar een structureel onderdeel van de kolonie. Het ontwerpdoel: sporen die niet door validatie komen, verliezen gewicht voordat andere agents erop voortbouwen. Ook hier geldt: dit vereist implementatie en afdwingbaarheid, geen goede bedoelingen.
Kaders in plaats van scripts
Governance betekent hier niet dat elke stap vooraf vastligt — dan bent u terug bij centrale orkestratie. Het betekent dat de grenzen vastliggen: toegestane bronnen, acties die menselijke bevestiging vereisen, welke sporen mogen persisteren.
Dit sluit aan bij hoe collaboratieve multi-agent systemen breder worden beschreven, onder meer door SAP: agents die taken kunnen delegeren, óók naar mensen, en die om informatie of bevestiging vragen voordat ze verdergaan. De mens blijft in de lus — als bewaker van de kaders. Controle behouden vraagt daarbij méér dan intentie: technisch afgedwongen autorisatie, monitoring en escalatiepaden.
Wat dit betekent voor uw organisatie
De kernvraag is niet “orkestratie of stigmergie”, maar: waar in onze processen weten we de route vooraf, en waar niet?
- Bekende route, herhaalbaar proces: een georkestreerde workflow met duidelijke stappen is vaak de eenvoudigste en best beheersbare keuze.
- Onbekende route, open vraagstuk: onderzoek, marktverkenning, complexe analyse — hier kan stigmergische samenwerking parallellisme en hergebruik van tussenresultaten opleveren. Merk op dat ook centrale systemen parallel en redundant kunnen worden ontworpen; het verschil zit in waar de coördinatielogica leeft.
In de praktijk combineert u beide: gestructureerde processen aan de randen, stigmergische samenwerking in de kern waar het echte denkwerk gebeurt. En over alles heen: herleidbaarheid en governance, zodat u kunt verantwoorden wat het systeem doet en waarom.
Eerste stap: een pilot met één weefsel en twee rollen
U hoeft niet met een volledige kolonie te starten. Een zinvolle, toetsbare eerste stap:
- Kies één open vraagstuk met veel handmatig zoek- en analysewerk, bijvoorbeeld een terugkerende marktverkenning. Kiest u een proces met vertrouwelijke of persoonsgegevens (zoals due diligence), classificeer die data dan vooraf en toets de verwerking aan de AVG.
- Benoem een eigenaar en succescriteria. Wie is verantwoordelijk, en waaraan meet u succes: doorlooptijd, kwaliteit van output, hergebruik van eerdere bevindingen?
- Richt een gedeeld kennisweefsel in met sporen die herkomst-metadata dragen, plus toegangsrechten, logging en bewaartermijnen die vooraf zijn vastgelegd.
- Start met twee rollen: een verkenner die sporen legt en een validator die ze toetst. Definieer foutafhandeling en de momenten waarop een mens moet bevestigen of escaleren.
- Evalueer tegen een baseline. Formuleer een meetbare hypothese — bijvoorbeeld: latere runs vinden relevante bronnen sneller dan een georkestreerde of handmatige aanpak — en toets die. Hergebruik van sporen kán prestaties verbeteren, maar kan kwaliteit ook verlagen; alleen meten wijst dat uit.
Wie zo begint, ervaart het kernprincipe van stigmergie in het klein — met kaders, meting en menselijke controle stevig op hun plek.