De AI-verordening hanteert een risicogebaseerde opzet: hoe hoger het risico van een systeem, hoe strenger de regels. De Autoriteit Persoonsgegevens vat samen dat toepassingen met een onaanvaardbaar risico verboden zijn, dat hoog-risicosystemen aan strengere eisen moeten voldoen en dat daarnaast transparantieregels gelden. Wie geen hoog-risicosysteem inzet, kan daardoor de indruk krijgen dat het dossier dicht kan. Die conclusie is te snel.
De transparantieverplichtingen uit artikel 50 zijn geen restcategorie voor alles met “lager risico”. Ze gelden voor specifiek omschreven systemen en output, en die komen in alledaagse toepassingen voor: chatbots, digitale loketten, assistenten en AI-gegenereerde content. Of dat bij u zo is, hangt af van uw rol, de toepassing en de uitzonderingen in de wettekst. Hieronder leest u wat artikel 50 in hoofdlijnen regelt, sinds wanneer het geldt en hoe u bepaalt wat u moet regelen.
Wat regelt artikel 50 in hoofdlijnen?
Artikel 50 bundelt verschillende informatie-, markerings- en openbaarmakingsplichten. De gemene deler is dat mensen niet ongemerkt met AI of AI-output te maken krijgen. De FAQ over generatieve AI van de Rijksoverheid beschrijft dat artikel 50 onderscheid maakt tussen verplichtingen voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken, en tussen vier soorten AI-systemen.
Belangrijk om vooraf te weten: artikel 50 is geen algemene regel voor alles wat geen hoog risico is. De Europese Commissie spreekt over transparantieverplichtingen voor aanbieders en exploitanten van bepaalde AI-systemen. Welke systemen en welke output dat zijn, is in de wettekst afgebakend.
De hoofdlijnen, met de kanttekening dat elke plicht eigen voorwaarden en uitzonderingen kent:
- Interactie met AI. Systemen die bedoeld zijn om rechtstreeks met natuurlijke personen te interacteren, moeten zo ontworpen zijn dat die personen weten dat ze met AI te maken hebben. De wettekst kent een uitzondering wanneer dat, vanuit het oogpunt van een redelijk geïnformeerde, oplettende en omzichtige persoon, al duidelijk is uit de context.
- Gegenereerde of gemanipuleerde content. Aanbieders moeten AI-gegenereerde of gemanipuleerde output markeren en detecteerbaar maken. Het gaat daarbij om inhoud in de vorm van tekst, beeld, audio of video, zo volgt uit de samenvatting van de Vlaamse overheid. Volgens Digitale Overheid moet die markering machineleesbaar zijn. Ook deze plicht kent uitzonderingen; de precieze reikwijdte leest u na in artikel 50, lid 2.
- Emotieherkenning en biometrische categorisering. Wie zulke systemen inzet, moet de personen die eraan worden blootgesteld informeren. Ook hier kent de wet uitzonderingen. Voor zover daarbij persoonsgegevens worden verwerkt, is de vraag of en hoe de AVG van toepassing is er een voor uw privacyjurist.
- Deepfakes en publieke informatie. Het gaat om AI-gegenereerde of gemanipuleerde beeld-, audio- of videocontent die lijkt op bestaande personen, objecten, plaatsen, entiteiten of gebeurtenissen en ten onrechte als authentiek kan overkomen. Daarnaast om AI-gegenereerde tekst die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang. In beide gevallen moet kenbaar worden gemaakt dat de inhoud kunstmatig is gemaakt of gemanipuleerd. Voor teksten geldt een uitzondering als de inhoud menselijke controle of redactionele controle heeft ondergaan én een natuurlijke of rechtspersoon redactionele verantwoordelijkheid draagt.
Dit is een samenvatting, geen wettekst. Laat de toepassing op uw situatie altijd juridisch toetsen aan de verordening zelf.
Sinds wanneer gelden deze regels?
De Vlaamse overheid noemt 2 augustus 2026 als datum waarop de transparantieregels uit artikel 50 gaan gelden. Digitale Overheid noemt dezelfde maand voor de transparantieverplichtingen voor bepaalde AI-systemen, met de kanttekening dat het vooral om generatieve AI-systemen gaat.
De Commissie heeft richtsnoeren en een praktijkcode in gang gezet om de naleving van deze verplichtingen mogelijk te maken. De veelgestelde vragen over artikel 50 verwijzen naar die praktijkcode voor generatieve AI-systemen. Aanbieders en exploitanten die zich daar niet bij aansluiten, moeten volgens de Commissie op een andere manier aantonen dat zij voldoen. Het is geen algemene code voor alles wat u met AI doet.
Of voor uw systemen overgangsbepalingen gelden, en wat de praktijkcode precies van u vraagt, controleert u rechtstreeks in de actuele versie van de Commissie-FAQ en de richtsnoeren. Wij herhalen die details hier bewust niet; ze zijn te precies om uit de tweede hand over te nemen en kunnen wijzigen. Controleer dus vóór u beslissingen neemt of u naar de meest recente versie kijkt.
De praktische betekenis: als u dit leest, is artikel 50 al van kracht. De vraag is niet meer of u zich voorbereidt, maar of u nu voldoet.
Aanbieder of gebruiksverantwoordelijke: welke rol heeft u?
De verordening verdeelt verplichtingen over rollen. Digitale Overheid vat het samen als regels voor ontwikkelaars van AI-modellen en -systemen én voor organisaties die die systemen gebruiken. De Nederlandse vertaling van de verordening spreekt van aanbieder en gebruiksverantwoordelijke; de Commissie gebruikt in haar Nederlandse FAQ de term exploitant voor die tweede rol.
De kern van het onderscheid: een aanbieder ontwikkelt een AI-systeem of laat het ontwikkelen en brengt het onder eigen naam of merk in de handel of stelt het in gebruik. Een gebruiksverantwoordelijke zet een systeem onder eigen verantwoordelijkheid in. De exacte definities, inclusief de voorwaarden en uitzonderingen daarbij, staan in de verordening zelf en zijn leidend.
De markeringsplicht voor gegenereerde content richt zich op de aanbieder. De openbaarmakingsplicht bij deepfakes en publieke teksten richt zich op de gebruiksverantwoordelijke. Beide kennen de eerder genoemde voorwaarden en uitzonderingen.
De rolverdeling kan in uw situatie minder overzichtelijk zijn dan deze indeling suggereert. Bouwt u een toepassing op een ingekocht taalmodel en biedt u die aan burgers of klanten aan, dan is de vraag onder meer of u het systeem onder eigen naam of merk aanbiedt en of u het substantieel wijzigt. Welke rol daaruit volgt, bepaalt u aan de hand van de definities in de verordening en met een jurist.
De FAQ over generatieve AI en de AI-verordening op algoritmes.overheid.nl gaat onder meer in op de rolverdeling bij generatieve toepassingen en op de transparantieverplichtingen. Voor overheidsorganisaties is dat een bruikbaar startpunt; ook voor andere organisaties helpt het bij het formuleren van de juiste vragen aan uw jurist.
Wat verandert er voor chatbots en digitale loketten?
Voor de meeste beslissers is dit het meest tastbare punt. Gebruikt uw organisatie AI in digitale loketten, chatbots of assistenten, dan moet voor burgers duidelijk zijn dat ze met AI communiceren, zo vat de Vlaamse overheid artikel 50 samen. De wettekst kent daarbij de uitzondering voor situaties die uit de context al duidelijk zijn voor een redelijk geïnformeerde, oplettende en omzichtige persoon.
De Commissie verwijst naar vier cumulatieve criteria uit de richtsnoeren. Eén daarvan: het systeem moet ontworpen zijn voor een echte uitwisseling in twee richtingen met mensen, in plaats van alleen gegevens te verzamelen of geautomatiseerde antwoorden te verstrekken. Een eenvoudig keuzemenu is dus iets anders dan een gespreksassistent; waar de grens precies ligt, toetst u aan de richtsnoeren.
Drie punten om te toetsen:
Waar staat de melding? Volgens de Commissie-FAQ moeten aanbieders het systeem zodanig ontwerpen en ontwikkelen dat betrokken personen ervan in kennis worden gesteld dat zij met een AI-systeem interageren. Of een zin in algemene voorwaarden of een privacyverklaring daaraan voldoet, laat u toetsen. Ga er niet van uit.
Wordt de uitzondering te ruim uitgelegd? “Iedereen weet toch dat dit een bot is” is een aanname. Bij een assistent met een menselijke naam en een natuurlijke gesprekstoon is die aanname allerminst vanzelfsprekend. Beroep u niet op de uitzondering zonder juridische toets.
Is het overdrachtsmoment helder? Als een gesprek van AI naar een medewerker gaat, of andersom, is het verstandig dat de gebruiker dat merkt. Of en hoe artikel 50 dit vereist, laat u met de rest van uw toepassing juridisch toetsen. Los daarvan bevelen wij het aan als ontwerpkeuze, omdat het aansluit bij de bedoeling van de transparantieplicht.
Interne toepassingen laat u niet bij voorbaat buiten beschouwing. De wettekst spreekt over natuurlijke personen; of een interne assistent onder de plicht valt, bepaalt u met dezelfde toets als voor externe toepassingen.
Wat verandert er voor AI-gegenereerde content?
Hier lopen twee verplichtingen door elkaar die u apart moet bekijken.
De eerste is technisch en rust primair op de aanbieder: gegenereerde of gemanipuleerde tekst, beeld, audio of video moet gemarkeerd en detecteerbaar zijn, binnen de voorwaarden en uitzonderingen van artikel 50, lid 2. Bent u gebruiksverantwoordelijke, dan controleert u dit via uw leverancierskeuze en via de manier waarop u het systeem implementeert. Vraag uw leveranciers concreet hoe zij aan deze plicht voldoen, of zij zich aansluiten bij de praktijkcode en of er voor hun systeem overgangsbepalingen gelden.
Integreert of wijzigt uw organisatie het systeem zelf, bijvoorbeeld door een taalmodel in een eigen toepassing in te bouwen, dan is het niet vanzelfsprekend dat u alleen gebruiksverantwoordelijke blijft. Laat een jurist beoordelen of u daarmee ook verplichtingen van een aanbieder krijgt, inclusief de markeringsplicht.
De tweede verplichting is organisatorisch en richt zich op de gebruiksverantwoordelijke: kenbaar maken dat inhoud kunstmatig is gemaakt of gemanipuleerd bij deepfakes en bij AI-gegenereerde tekst over aangelegenheden van algemeen belang. Volgens de Vlaamse overheid moet het “in bepaalde gevallen” duidelijk zijn dat inhoud (deels) door AI is gegenereerd; welke gevallen dat zijn, volgt uit de wettekst.
Voor teksten geldt de uitzondering bij menselijke of redactionele controle in combinatie met redactionele verantwoordelijkheid van een natuurlijke of rechtspersoon. Of en hoe u moet kunnen aantonen dat aan die voorwaarden is voldaan, laat u juridisch toetsen. Ongeacht die uitkomst is het verstandig vast te leggen wie controleert en wie de verantwoordelijkheid draagt, zodra u zich op deze uitzondering wilt beroepen.
Praktisch komt het neer op een contentbeleid met drie vragen per publicatie: is hier AI gebruikt, in welke mate, en wat communiceren we daarover? Dat beleid moet ook gelden voor afdelingen die nu op eigen initiatief met generatieve tools werken.
Waar het in de praktijk kan misgaan
Bij transparantieverplichtingen spelen doorgaans een paar risico’s. Of ze bij u aan de orde zijn, weet u pas na een inventarisatie; dat is de reden om ernaar te kijken.
Geen overzicht. AI-toepassingen kunnen in ingekochte software zitten of door teams zelf zijn opgezet, vaak zonder dat daar centraal zicht op is. Zonder inventarisatie weet u niet waar AI met mensen communiceert of content genereert, en is naleving giswerk.
Geen eigenaar. Transparantie raakt communicatie, juridische zaken, IT en de proceseigenaar. Zolang het bij “iedereen een beetje” blijft, gebeurt er weinig.
Compliance losgekoppeld van ontwerp. De Commissie-FAQ koppelt de plicht uit artikel 50, lid 1 aan het ontwerpen en ontwikkelen van het systeem. Behandelt u transparantie als een melding die achteraf aan een bestaande chatbot wordt toegevoegd, laat dan toetsen of dat aan die eis voldoet. Los van die juridische vraag is onze aanbeveling om transparantie vanaf het begin in het ontwerp mee te nemen; hoeveel werk dat is, hangt af van uw toepassing.
De Autoriteit Persoonsgegevens adviseert organisaties om als aanbieder of gebruiker in kaart te brengen om welke AI-systemen het gaat en in welke risicogroep die vallen. De toezichthouder benadrukt dat die controle de verantwoordelijkheid van de organisatie zelf is.
Houd er ook rekening mee dat de AI-verordening niet het enige kader is dat kan gelden. Of en hoe de AVG van toepassing is op de gegevens die uw toepassing verwerkt, en wat dat betekent voor de communicatie richting betrokkenen, legt u voor aan uw privacyjurist of functionaris gegevensbescherming.
Reken op tijd. Hoe lang een inventarisatie duurt, hangt af van het aantal toepassingen en van hoeveel ingekochte software u moet doorlichten. Plan het als project met een eigenaar en een einddatum in plaats van als bijzaak van een van de betrokken afdelingen.
Uw eerste stap
Begin met een lijst. Vraag binnen twee weken aan elk team dat klantcontact, communicatie of dienstverlening verzorgt om vier vragen te beantwoorden:
- Waar communiceert AI rechtstreeks met mensen (klanten, burgers, medewerkers)?
- Waar wordt tekst, beeld, audio of video met AI gegenereerd en gepubliceerd?
- Wie is de leverancier en welke rol heeft onze organisatie: aanbieder of gebruiksverantwoordelijke, of mogelijk beide?
- Wat ziet de gebruiker nu over de inzet van AI, en op welk moment?
Die lijst is geen compliancedocument. Het is het overzicht dat u nodig heeft om met een jurist te bepalen waar u wél en niet voldoet, en met uw teams te bepalen wat er aangepast moet worden. Zonder die lijst blijft elk gesprek over artikel 50 abstract.